Extra informatie

We hebben 40 jaar lang moeten zoeken naar de voorouders van Frederik Swiebel die zich zelf voor het eerst in Nederland meldde als Frederik Bernhard bij zijn huwelijk met Jannetje Berck op 28 december 1698 in Den Haag. Hij geeft hierbij aan dat hij uit Graaps komt, waarmee hij vermoedelijk Grabs aam de bovenloop van de Rijn in het Graafschap Werdenberg bedoelt. Grabs ligt tegenwoordig in het Kanton Sankt Gallen, maar tot 1798 viel het onder het kanton Glarus dat ook de in het oostelijk deel van Zwitserland gelegen gebieden omvatte, zoals het graafschap Werdenberg, de Wartau, Sargans en Gaster.
Inschrijving in het trouwregister van de Nederlands Hervormde Kerk te Den
Haag: Frederick Bernhard, Jongman van Graaps met Jannetje Berck, Jonge-
dochter geb. alhier, beijde wonende alhier.

In de 17e eeuw was er voor het Nederlands geen vastgestelde spelling; je schreef op wat je hoorde en fonetisch is er nauwelijks verschil tussen Graaps en Grabs op zijn Duits uitgesproken. Omdat hij bij zijn 1e huwelijk zonder toenaam/achternaam wordt genoemd, zal die tweede naam Bernhard zijn patroniem zijn (mede omdat 'dubbele' voornamen in die tijd zeer ongewoon waren); dat betekent dat zijn vader Bernhard geheten moet hebben. Helemaal alléén is Frederik niet uit Zwitserland naar Den Haag gekomen; zoals we nog zullen zien is bij de doop van zijn laatste kind, zoon Frederik, een Bernardus Swivel (niet zijn vader, want die was toen al overleden) doopgetuige, maar welk 'familielid' dat geweest is kan niet meer worden achterhaald (er dienen zich in principe op basis van leeftijd 5 kandidaten aan en het meest waarschijnlijke is Bernhard * 16-07-1682, † 29-01-1732, zoon van Gabriel Zweifel en Rosina Vögeli omdat dienst broer Jakob Zweifel als Zwitser in het Leger van de Prins heeft gediend). Omdat de doopboeken van Grabs van vóór 1733 bij een grote overstroming verloren zijn gegaan kunnen we Frederik Bernhard daarin niet meer vinden.

Wel weten we dat de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden eind 17e eeuw Zwitserse troepen inhuurt om het Staatse Leger te versterken. Vanaf 1 december 1693 sluit Peter Valckenier, Diplomaat namens de Republiek der Verenigde Nederlanden in Zwitserland, overeenkomsten, capitulaties genoemd, met de kantons voor het inhuren van Zwitserse Regimenten, maar er werden al eerder Zwitsers naar de Lage Landen gehaald; deze groep van voorlopers op de officieel aangeworven Regimenten werden zogenaamde „Freikompanien", onder het bevel van een „Freihauptmann" genoemd. Deze „vrijcompagnieën" waren dus opgericht zonder toestemming van de kantonsregeringen en de manschappen werden min of meer heimelijk via Duitsland naar de Republiek gebracht. Onderweg sloten zich dan soms nog meer vrijwilligers bij een dergelijke compagnie aan. Deze compagnieën waren niet openlijk met trommelslag geworven, omdat er nog geen officiële capitulaties bestonden. In 1692 is sprake van drie vrije compagnieën uit Zürich, waarvan elk één onder bevel van de hoplieden J. Edlibach en S. Holzhalb, verder van een compagnie uit Bazel onder hopman J. Sequist en één uit het kanton Glarus onder Paravicini. Edlibach, Holzhalb, Seguin en Paravicini sloten zich later aan bij het met een capitulatie bezegelde Regiment Hans Heinrich Lochman. Dit Regiment bestond daarmee uit 8 compagnieën van elk 200 manschappen.

De commandant Kapitein Peter Paul Paravicini-di-Capelli van de Glarus Freikompagnie was een zoon van de 'landvogt' (wij zouden zeggen Baljuw of Ambtman, vertegenwoordiger van de landsheer in de regio) van Werdenberg Bartholome Paravicini-di-Capelli en Katharina Schiess. Peter Paul had een zuster Hippolyta die gehuwd was met een zekere Fridolin Zweifel. Diens vader, ook Fridolin genaamd, was een broer van Bernhard Zweifel, uitbater van de Gasthof Löwen in de gelijknamige hoofdstad van het kanton Glarus. Deze Bernhard nu had vijf zonen, waarvan er vier hebben gediend als huursoldaat in Staatse Dienst:
1. Fridolin, geboren 1668, gediend in de Compagnie van Peter Paul Paravicini van 1692 – 1695 (zie verderop)
2. Hans Balthasar, geboren in 1669, gediend in de Compagnie van Kapitein Iselin, overleden op 12 januari 1690 in Ieper, Vlaanderen
3. Marx, geboren in 1681 uit een 2e huwelijk, eveneens gediend in de Compagnie van Peter Paul Paravicini, overleden in 1706 in Oudenaarden, Vlaanderen.
4. David, geboren in 1685, eveneens gediend in de Compagnie van Peter Paul Paravicini, overleden op 9 oktober 1709.
Je mag aannemen dat het feit dat Peter Paul Paravicini de zwager was van de neef Fridolin van Bernhard juist die familierelatie de reden was waarom bijna al zijn zonen in het Leger van de Prins hebben gediend.

Het Staatse Leger, de krijgsmacht van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, werd gefinancierd via het zogenaamde quotenstelsel. Elk jaar werd door de Staten-Generaal een zogenaamde Generale Petitie gedaan, een jaarlijks verzoek aan de verschillende gewesten om hun aandeel in de kosten van het leger te betalen. Zo’n petitie ging jaarlijks vergezeld van een Staat van Oorlog (en vaak naast een gewone – ordinaris -, ook nog een extra – extraordinaris – Staat): een toelichting op de begrote uitgaven en op de verdeling van die uitgaven over de diverse provincies.
Zo’n Staat van Oorlog bevat een minutieuze en gedetailleerde opsomming van de geledingen van het Staatse Leger tot op het niveau van individuele compagnieën: wie had de leiding, hoeveel manschappen had hij onder zich, wat kostte dat?
Gewone manschappen treft men er niet in aan, maar van officieren, vanaf het niveau van kapitein en ritmeester en hoger (sergeant-majoor, luitenant-kolonel, kolonel) kan van jaar tot jaar de carrière worden gevolgd.
Hiernaast de inschrijving van het Regiment van Lochmann en de bevelhebbers van 6 compagnieën van elk 200 man; als laatste op de pagina staat Pierre Paul Paravicini genoemd.
Nu waren kazernes en legerplaatsen in de 17e en 18e eeuw nagenoeg onbekend. Als de soldaten een paar dagen ergens verbleven werd een tentenkamp opgericht, maar bij een langdurig verblijf werden de soldaten bij burgers in de stad of bij boeren in een dorp ondergebracht.

Bij de Inkwartieringsstaten in Den Bosch worden de manschappen wel genoemd (zie hieronder). Opmerkelijk is ook de daarin opgetekende namen van Friderich Zweiffel alias Friedrich Zwijffel, alias Fridolin Zwifre alias Fridolin Zwiffele; bovendien komen we daar ook nog tegen in de Compagnie van Werdmuller een zeker Jakob Zwijffel/Zweidler (* 07-02-1667, † 16-11-1753, zn van Gabriel Zweifel en Rosina Vögeli). in de compagnie van Segin een Jacob Schwebel (dezelfde?) en in de compagnie van Paravicini een zekere Melchior Zwifell (* 17-02-1670, zn. van Heinrich Zweifel en Margaretha Dürst) naats een Jost Zwifler (* 15-12-1669, † 11-02-1753, zn. van Jost Zweifel en Salome Tschudi, een volle neef van Frederik). In 1817-1818 is ook een andere Jost Zeifel (*20-11-1782, zoon van Johannes Zweifel en Anna Kundert, soldaat in dienst Nederland).
Friedrich Zwijffel verbleef in Den Bosch op vier adressen: bij de Weduwe Nieuwholt in de Hinthamerstraat als Fridolin Zwiffele, als Fridolin Zwijffre aan het Hinthamereind bij de heer Suijckers (Suyskens?), als Friedrich Zwijffel aan de Kruisstraat bij Joris Suyskens en tot 12 mei 1694 bij Johannes van der Lip in de Putstraat als Friderich Zweiffel.1)
Op de afbeelding het pand in bezit van de familie Suyskens in de 17e eeuw. Het huis, genaamd de Nobel, werd 15 April 1702 (Reg. n° 514 f. 361 vso) verkocht en het werd toen omschreven als: „eene huysinge met eene poorte, erve, middelhuys op de plaetsche, packhuys, mouterye, brouwerye, coelbacken, bierpomp, etc, met een uytganck aen den Uylenburch, twee achterhuysen aen ende ter zyde van den ganck, te weten aen ieder zyde een, met een prieelken over de Diese, alles gelegen aen de Kruysstraet naest het erf van de Wed e Anthony de Hee ex uno ende het huys van van Tilburch ex alio”.Waarschijnlijk is Frederik in één van die achterhuizen ondergebracht geweest.

Vervolgens ging zijn compagnie op campagne in de Zuidelijke Nederlanden en lag daarna in garnizoen in Maastricht. Eén bataljon van dit regiment ging in 1695 mee naar de belegering van Namen en kwam in oktober 1695 naar Breda. De andere bataljons lagen tot 1697 in Maastricht, Breda en Hellevoetsluis en er gingen in 1698 twee compagnieën naar Friesland.2) Frederik heeft dat allemaal niet meer meegemaakt, want hij verliet na Den Bosch in 1694 de dienst en ging naar Den Haag waar we hem in 1695 tegen komen als scheepstimmerman. Waarom hij de militaire dienst heeft verlaten valt niet meer te achterhalen. Hij ontmoet later Jannetje Berck, dochter van Arend Jans Berck en Maria Cornelissen, met wie hij op 28 december 1698 in de Nederduits Gereformeerde Kerk trouwt.

De eerste keer dat hij als Fredrik Swibel is ingeschreven bij de doop van zijn dochter Maria:

Hieronder de inschrijving van zijn tweede huwelijk met Sybille Kruder


Dat het daarbij om onze Frederik Swiebel gaat blijkt uit de doopinschrijving van Frederik, geboren in 1721:


En zijn begraving:


Bij zijn overlijden in 1753 staat aangegeven, dat hij toen 84 jaar oud was, waardoor hij in 1668/1669 moet zijn geboren.
Frederik staat, mede door die fonetische schrijfwijze, bekend als Swiebel, Swievel, Swibel, Swijbel, Schweiffel, Schrijver en Zwiffele.

Den Haag

Op de prent hiernaast zie boven de plattegrond van Den Haag rond het binnenhof met links boven de Hoogduitse Kerk. Daaronder een prent van de kerk zelf. Daar weer onder een tekening van een doorsnee woonhuis van een ambachtsman uit de 17e eeuw. Bij veel van die huizen werd in de loop van 18e eeuw de onderhoud-gevoelige trapgevel vervangen door een simpeler punt- of lijstgevel. Naar alle waarschijnlijkheid woonde Frederik in zulk een woning.
Van Frederik weten we niet veel meer dan dat hij Scheepstimmerman was in Den Haag en zijn kinderen laat dopen in de Hoogduitse Kerk aan het Noordeinde, waar hij zelf ook woonde. Het Noordeinde was in de 16e eeuw een drukke straat waar ambachtslieden woonden die voor het hof werkten. In 1533 verrees er vlakbij de Hoogduitse Kerk een groot huis, gebouwd door grafelijk ambtenaar Willem Goudt. Ruim een eeuw later werd dit pand grootscheeps verbouwd door stadhouder Frederik Hendrik, naar ontwerp van de belangrijkste architecten van die tijd, Jacob van Campen en Pieter Post. Het is tegenwoordig bekend als Paleis Noordeinde. De Hoogduitse Kerk bleef dienst doen tot 1840, toen het gebruik daarvan door Koning Willem I werd verboden. Hieronder een detail van de kaart van Johan Blaeu uit 1649; daarop zie je rechts onderaan het Binnenhof, vandaar naar boven de Gevangenpoort, uitkomend op De Plaats, vervolgens linksaf tot de kruising. Je staat dan voor het Noord Eindt, de straat van Delft naar Scheveningen. Ga je rechtsaf passeer je de Hoogduitse Kerk en beland je bij de woningen van de ambachtslieden met hun achtertuinen.

Glarus



De eerste kerk werd in de 6e eeuw in Glarus gebouwd. Fridolin van Säckingen, een van de missionarissen uit die tijd, is nu de beschermheilige van het kanton. Omstreeks 700 komen de Germanen, maar pas in de 11e eeuw wordt hun taal algemeen overgenomen. Al voor 1530 is de meerderheid van Glarus gereformeerd. Zwingli, één van de leiders van de Zwitserse Reformatie heeft 10 jaar in Glarus als pater gewerkt en zijn reformatieschrift in 1523 aan Glarus opgedragen.

Nog een staaltje van fonetica trof ik aan in de Monsterrol van het zeilschip "De Amsterdam" op weg van Amsterdan naar Batavia:
Soldaat Levie Swiebel (10e graad verwant aan Frederik Bernhard, gemeenschappelijk voorvader is Bernhard Zweifel uit 1544), afkomstig uit "Ter Sweijts" monstert in 1740 aan en komt onderweg te overlijden waardoor hij in Kaap de Goede Hoop wordt achtergelaten.
Gevraagd naar zijn herkomst zal hij ongetwijfeld op zijn Duits "aus der Schweiz" geantwoord hebben, hetgeen door de schrijver werd 'vertaald' tot "Ter Sweijts"

Tot slot: In het Staatse leger heeft eind 18e eeuw nog een Fridolin Zweifel (* 30-08-1730 Glarus, † 07-03-1790 Leiden) gediend, zoon van Fridolin Zwiefel en Anna Träpp. Hij heeft het tot grootmajoor geschopt en was familie van Frederik Bernhard Swievel: grootvader Johannes Zweifel, gehuwd met Maria Magdalena Brunner was de overgrootvader van majoor Fridolin Zwiefel. Om het familieverbd nader aan te duiden: majoor Fridolin was een zoon van de volle neef Fridolin van Frederik.Vanwege jet grote leeftijdsverschil hebben ze elkaar niet gekend: Frederik was al overleden toen Fridolin in Staatse Dienst kwam.

Kopie van https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/1.01.19/invnr/@1540/file/NL-HaNA_1.01.19_1540_0332

Meer aanwijzingen

David Zweifel (* 06-01-1710 Linthal, † 1773 Brussel), gehuwd met Anna Katharina Cränz in 1748, emigreert naar Holland. Zijn zoon Johann Heinrich Zweifel (* 28-03-1759 Linthal) trouwt in 1780 in Leiden. Hij wordt dan aangeduid als Johan Hendrik Swiebel uit Linthal, Switserland. Als getuige neemt hij zijn neef Johan Jacob Swiebel mee die in Den Haag woont. Kortom, bijna 100 jaar na Frederik Bernhard wordt Zweifel in Holland nog steeds verbasterd tot Swiebel.


Fridolin

Geboren aan het eind van de 5e eeuw in Ierland als telg uit een adelijk geslacht, overleden in 538 in Bad Säckingen nabij Basel. Hij kreeg de gelegenheid in het gehele Frankische rijk kloosters te vestigen. Het schijnt dat hij degene is geweest die te Poitiers de tot dan toe onbekend gebleven sarcofaag van de beroemde bisschop Sint Hilarius († 368; feest 13 januari) heeft geïdentificeerd. Kreeg in een visioen van hem de opdracht om samen met zijn volgelinge Sint Oranna († 6e eeuw; feest 15 september) naar het Rijnland te gaan. Werd monnik in Luxeuil en stichtte later een klooster op het Rijneiland Säckingen, ten oosten van Basel, waarvan hij abt werd.
Er doen over hem veel wonderverhalen de ronde. Zo wekte hij een gestorven boer, Ursus, tot leven die ooit land geschonken had aan het klooster. Na zijn dood ontkende diens broer de schenking en eiste het land terug. Fridolin begaf zich naar de begraafplaats, wekte Ursus ten leven en troonde hem mee voor de rechter, waar de dode plechtig zijn schenking kon bevestigen.
Hij is patroon van Säckingen en van het Zwitserse kanton Glarus. Zijn voorspraak wordt ingeroepen voor groeizaam weer, tegen wateroverlast en brandgevaar, tegen kinder- en veeziekten, en tegen pijn in armen en benen.
1) Bossche Encyclopedie; inkwartieringen te vinden op https://www.bossche-encyclopedie.nl/bronnen/Inkwartiering/090.htm (terug)
2) Zie Gens Nostra 1987, p.266 e.v. en dr. J.W. Wijn, Het Staatsche Leger VIII ('s-Gravenhage 1964) (terug)