Extra informatie
Van Fridolin Zweifel naar Frederik Swiebel
Nadat de Zwitsers met hun leger uit de eigen gelederen in 1476 bij Murten een beslissende overwinning hadden behaald op Karel de Stoute van Bourgondië, probeerde elke Europese vorst of staat Zwitserse soldaten te werven. Eeuwenlang was de "buitenlandse dienst" (huurlingendienst) een belangrijke economische sector voor het Zwitserse kantons. Door armoede en overbevolking diende soms wel 12% van de bevolking in buitenlandse legers. Dit heeft de geschiedenis, architectuur en samenleving in Zwitserland diepgaand beïnvloed. In de 16e eeuw onderhield Frankrijk nauwe banden met afzonderlijke Zwitserse kantons en betaalde het royale 'pensioenen' (jaarlijkse uitkeringen) aan invloedrijke families. Hierdoor konden de Fransen een groot aantal Zwitserse compagnieën voor hun leger werven, met name uit het kanton Bern.
In 1598 besloten de Staten-Generaal vier compagnieën te vormen met Zwitserse soldaten die uit Franse dienst waren ontslagen. Vanaf 1672 had prins Willem III van Oranje een aantal Zwitserse hellebaardiers in zijn persoonlijke dienst. Hun aantal liep geleidelijk op tot 100 man; de meesten van hen waren afkomstig uit het kanton Bern.
De regeringen van de onafhankelijke kantons probeerden echter in toenemende mate te voorkomen dat er op eigen initiatief militaire campagnes werden gevoerd, zowel in binnen- als buitenland. Hiertoe sloten zij overeenkomsten – bekend als *Kapitulationen* (capitulaties) – met buitenlandse vorsten en staten, waarmee zij politieke en economische voordelen voor Zwitserland veiligstelden. De ongereguleerde, rechtstreekse werving van soldaten – bekend als *Reislaufen* – werd vervolgens verboden.
Aanvankelijk speelde de religieuze gezindheid van de officieren en soldaten geen rol van betekenis. Toen Lodewijk XIV echter in 1685 het Edict van Nantes herriep – dat protestanten in Frankrijk godsdienstvrijheid had gewaarborgd – ontstond er grote onzekerheid onder de Zwitserse bevolking en verliet een aanzienlijk aantal Zwitserse officieren met hun compagnieën de Franse dienst. Vervolgens, en met name nadat Willem III James II was opgevolgd als koning van Engeland, pasten de gereformeerde kantons – in het bijzonder Bern, Zürich en Graubünden – zich aan de nieuwe situatie aan. De oorlog van Frankrijk tegen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd steeds meer gezien als een religieus conflict. Willem III (koning van Engeland en Schotland en tevens stadhouder van de Republiek) werd in hun ogen een voorbeeldfiguur en een voorvechter van de goede zaak; dit vormde de beweegreden die de kantonbesturen er later toe zou aanzetten toestemming te geven voor de werving van soldaten voor dienst in Holland.
Peter Valckenier, diplomaat namens de Republiek, kon nadat stadhouder Willem III tevens Koning van Engeland werd, vanaf 1 december 1693 overeenkomsten sluiten met de kantons voor het inhuren van Zwitserse Regimenten, maar er werden al eerder Zwitsers naar de Lage Landen gehaald; deze groep van voorlopers op de officieel aangeworven Regimenten werden zogenaamde „Freikompanien", onder het bevel van een „Freihauptmann" genoemd. Deze „vrijcompagnieën" waren niet openlijk met trommelslag geworven, omdat er nog geen officiële capitulaties bestonden; ze waren opgericht zonder toestemming van de kantonsregeringen en de manschappen werden min of meer heimelijk via Duitsland naar de Republiek gebracht. Onderweg sloten zich dan soms nog meer vrijwilligers bij een dergelijke compagnie aan. In 1692 is sprake van drie vrije compagnieën uit Zürich, waarvan elk één onder bevel van de hoplieden J. Edlibach en S. Holzhalb, verder van een compagnie uit Bazel onder hopman J. Sequist en één uit het kanton Glarus onder Paravicini.
Zwitserse soldaten in Nederlandse dienst moesten ten minste 15 jaar oud en belijdend christen zijn; de meerderheid was afkomstig uit de kantons Bern, Zürich, Graubünden, Neuchâtel, Vaud en Schaffhausen. De kantons Bazel, Glarus en Appenzell Ausserrhoden leverden slechts een klein aantal soldaten.
Door Pieter Valkenier werd met Zürich en Bern de werving van de volgende regimenten overeenkomen:
a) op 1 december 1693 het Züricher regiment van Hans Heinrich Lochman dat op 23
april 1704 verdeeld werd over de andere regimenten. Edlibach, Holzhalb, Seguin en Paravicini sloten zich later aan bij dit Regiment dat daarmee bestond uit 8 compagnieën van elk 200 manschappen.
b) op 27 maart 1693 het Regiment Grisons van Hercules de Capol, dat 20 oktobber 1772 het Regiment Zwitsers Nr 4 werd en op 21 maart 1797 opgeheven.
c) op 24 juli 1693 het Berner Regiment van Albert van Mulinen dat 26 januari 1717 gevoegd werd bij het volgende regiment.
d) op 4 mei 1694 het Berner Regiment van Nicolas Tscharner dat 20 oktober 1772 het Regiment Zwitsers Nr 3 werd en op 28 april 1796 opgeheven.
e) op 29 april 1694 (tot 1697 in dienst van Savoye) het Zwitserse Regiment van Jean de Sacconay-Bursinel, dat 23 april 1714 werd verdeeld.
De commandant Kapitein (later luitenant-kolonel; zie afbeelding) Peter Paul Paravicini-di-Capelli van de Glarus Freikompagnie was een zoon van de 'landvogt' (wij zouden zeggen Baljuw of Ambtman, vertegenwoordiger van de landsheer in de regio) van Werdenberg Bartholome Paravicini-di-Capelli en Katharina Schiess. Peter Paul had een zuster Hippolyta die gehuwd was met een zekere Fridolin Zweifel. Diens vader, ook Fridolin genaamd, was een broer van Bernhard Zweifel, uitbater van de Gasthof Löwen in de gelijknamige hoofdstad van het kanton Glarus. Deze Bernhard nu had vijf zonen, waarvan er vier hebben gediend als huursoldaat in Staatse Dienst:
1. Fridolin, geboren 1668, gediend in de Compagnie van Peter Paul Paravicini van 1692 – 1695 (zie verderop)
2. Hans Balthasar, geboren in 1669, gediend in de Compagnie van Kapitein Iselin, overleden op 12 januari 1690 in Ieper, Vlaanderen
3. Marx, geboren in 1681 uit een 2e huwelijk, eveneens gediend in de Compagnie van Peter Paul Paravicini, overleden in 1706 in Oudenaarden, Vlaanderen.
4. David, geboren in 1685, eveneens gediend in de Compagnie van Peter Paul Paravicini, overleden op 9 oktober 1709.
Je mag aannemen dat het feit dat Peter Paul Paravicini die zwager was van de neef Fridolin van Bernhard juist die familierelatie de reden was waarom bijna al zijn zonen in het Leger van de Prins hebben gediend.
Het Staatse Leger, de krijgsmacht van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, werd gefinancierd via het zogenaamde quotenstelsel. Elk jaar werd door de Staten-Generaal een zogenaamde Generale Petitie gedaan, een jaarlijks verzoek aan de verschillende gewesten om hun aandeel in de kosten van het leger te betalen. Zo’n petitie ging jaarlijks vergezeld van een Staat van Oorlog (en vaak naast een gewone – ordinaris -, ook nog een extra – extraordinaris – Staat): een toelichting op de begrote uitgaven en op de verdeling van die uitgaven over de diverse provincies.
Zo’n Staat van Oorlog bevat een minutieuze en gedetailleerde opsomming van de geledingen van het Staatse Leger tot op het niveau van individuele compagnieën: wie had de leiding, hoeveel manschappen had hij onder zich, wat kostte dat?
Gewone manschappen treft men er niet in aan, maar van officieren, vanaf het niveau van kapitein en ritmeester en hoger (sergeant-majoor, luitenant-kolonel, kolonel) kan van jaar tot jaar de carrière worden gevolgd.
Hierboven de inschrijving van het Regiment van Lochmann en de bevelhebbers van 6 compagnieën van elk 200 man; als laatste op de pagina staat Pierre Paul Paravicini genoemd.
Nu waren kazernes en legerplaatsen in de 17e en 18e eeuw nagenoeg onbekend. Als de soldaten een paar dagen ergens verbleven werd een tentenkamp opgericht, maar bij een langdurig verblijf werden de soldaten bij burgers in de stad of bij boeren in een dorp ondergebracht. Om de twee of drie jaar verhuisde het hele regiment naar een andere plaats, onder meer om teveel verbroedering met de plaatselijke bevolking te voorkomen.
Bij de Inkwartieringsstaten in Den Bosch worden de manschappen wel genoemd (zie hieronder). Opmerkelijk is ook de daarin opgetekende namen van Friderich Zweiffel alias Friedrich Zwijffel, alias Fridolin Zwifre alias Fridolin Zwiffele; bovendien komen we daar ook nog tegen in de Compagnie van Werdmuller een zeker Jakob Zwijffel/Zweidler (* 07-02-1667, † 16-11-1753, zn van Gabriel Zweifel en Rosina Vögeli). in de compagnie van Segin een Jacob Schwebel (dezelfde?) en in de compagnie van Paravicini een zekere Melchior Zwifell (* 17-02-1670, zn. van Heinrich Zweifel en Margaretha Dürst) naast een Jost Zwifler (* 15-12-1669, † 11-02-1753, zn. van Jost Zweifel en Salome Tschudi, een volle neef van Frederik). In 1817-1818 is ook een andere Jost Zeifel (*20-11-1782, zoon van Johannes Zweifel en Anna Kundert, soldaat in dienst Nederland).
In de huisvestingslijsten komen in twee van de drie twee Fridolin Zweifels voor; het zou natuurlijk kunnen gaan om dezelfde persoon die op twee adressen heeft gewoond, maar omdat bij geen enkele andere naam dit verschijnsel ook voor komt, neem ik aan dat er twee verschillende militairen waren met dezelfde naam. Voor de andere Fridolin Zweifel komen twee mensen in aanmerking: Fridolin, geboren 19 december 1655 in Linthal als zoon van Bernhard Zweifel en Maria Magdalena Stüssi, gehuwd op 9 november 1797 te Glarus met Barbara Jenny, overleden 12 april 1699 of, als meer waarschijnlijk, de al eerder hierboven genoemde Fridolin, geboren 1 maart 1670 te Glarus als zoon van Fridolin Zweifel en Anna Hefti, die op 16 okotober 1694 te Glarus huwde met Hippolyta Paravicini, de zus van Kapitein Peter Paul en die overleden is op 7 maart 1735 in Glarus. We komen een Friedrich (Fridolin) Zweifel tegen op de volgende vijf adressen: vanaf 26 maart 1694 een Friderich Zweiffel aan de Putstraat bij Johannes van der Lip en een Friedrich Zwijffel aan de Kruisstraat bij Joggin Suyskens, vanaf 30 april 1694 een Fridolin Zwiffele in de Hinthamerstraat bij de Weduwe Nieuwholt en een Fridolin Zwifre op het Hinhamereind bij de heer Suyckes en vanaf 22 juli 1694 een Fridrich Zvifel aan de Hoge Steenweg bij de weduwe Van Gemert.1)
Op de afbeelding het pand in bezit van de familie Suyskens in de 17e eeuw. Het huis, genaamd de Nobel, werd 15 April 1702 (Reg. n° 514 f. 361 vso) verkocht en het werd toen omschreven als: „eene huysinge met eene poorte, erve, middelhuys op de plaetsche, packhuys, mouterye, brouwerye, coelbacken, bierpomp, etc, met een uytganck aen den Uylenburch, twee achterhuysen aen ende ter zyde van den ganck, te weten aen ieder zyde een, met een prieelken over de Diese, alles gelegen aen de Kruysstraet naest het erf van de Wed e Anthony de Hee ex uno ende het huys van van Tilburch ex alio”.Waarschijnlijk is Frederik in één van die achterhuizen ondergebracht geweest.
Vervolgens ging zijn compagnie op campagne in de Zuidelijke Nederlanden en lag daarna in garnizoen in Maastricht. Eén bataljon van dit regiment ging in 1695 mee naar de belegering van Namen en kwam in oktober 1695 naar Breda. De andere bataljons lagen tot 1697 in Maastricht, Breda en Hellevoetsluis en er gingen in 1698 twee compagnieën naar Friesland. Frederik heeft dat allemaal niet meer meegemaakt, want toen in 1695 het Kanton Graubünden het verdrag met Peter Valckenier beëindigde heeft Fridolin/Frederik de dienst verlaten, maar bleef hij in de Republiek en toog naar Den Haag waar we hem in 1695 tegen komen als scheepstimmerman.
Frederik ontmoet daar in Den Haag Jannetje Berck, dochter van Arend Jans Berck en Maria Cornelissen, met wie hij op 28 december 1698 in de Grote Kerk trouwt.
Inschrijving in het trouwregister van de Nederlands Hervormde Grote Kerk te Den Haag van het voorgenomen huwelijk tussen Frederick Bernhard, Jongman van Graaps met Jannetje Berck, Jongedochter geb. alhier, beijde wonende alhier.De aantekening dat het huwelijk ook daadwerkelijk is voltrokken ontbreekt
Hier geeft Frederik zelf aan dat hij uit Graaps (Grabs) komt, een plaats in het tegenwoordige Kanton Graubünden dat grenst aan Glarus. In de 17e eeuw was er voor het Nederlands geen vastgestelde spelling; je schreef op wat je hoorde en fonetisch is er geen enkel verschil tussen Graaps en Grabs op zijn Duits uitgesproken, Helemaal alléén is Frederik niet uit Zwitserland gekomen; zoals we nog zullen zien is bij de doop van zijn laatste kind, zoon Frederik, een Bernardus Swivel (broer, neef, vader?) doopgetuige.Waarom hij echter Grabs als plaats van herkomst opgaf en niet Linthal in Glarus valt nu niet meer te achterhalen. Het zou kunnen zijn dat hij zijn besluit heeft genomen om de dienst te verlaten (al dan niet met instemming) toen het Kanton Graubünden het verdrag met de Republiek opzegde, maar dat kon natuurlijk alleen maar als hij ook uit Graubünden kwam; misschien heeft hij daarom zijn geboorteplaats Linthal ingeruild voor Grabs? Lijkt me niet onwaarschijnlijk!
Soldaat Levie Swiebel (10e graad verwant aan Frederik Bernhard, gemeenschappelijk voorvader is Bernhard Zweifel uit 1544), afkomstig uit "Ter Sweijts" monstert in 1740 aan en komt onderweg te overlijden waardoor hij in Kaap de Goede Hoop wordt achtergelaten.
Gevraagd naar zijn herkomst zal hij ongetwijfeld op zijn Duits "aus der Schweiz" geantwoord hebben, hetgeen door de schrijver werd 'vertaald' tot "Ter Sweijts"
Tot slot: In het Staatse leger heeft eind 18e eeuw nog een Fridolin Zweifel (* 30-08-1730 Glarus, † 07-03-1790 Leiden) gediend, zoon van Fridolin Zwiefel en Anna Träpp. Hij heeft het tot grootmajoor geschopt en was familie van Frederik Bernhard Swievel: grootvader Johannes Zweifel, gehuwd met Maria Magdalena Brunner was de overgrootvader van majoor Fridolin Zwiefel. Om het familieverbd nader aan te duiden: majoor Fridolin was een zoon van de volle neef Fridolin van Frederik.Vanwege het grote leeftijdsverschil hebben ze elkaar niet gekend: Frederik was al overleden toen Fridolin in Staatse Dienst kwam.

Kopie van https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/1.01.19/invnr/@1540/file/NL-HaNA_1.01.19_1540_0332
David Zweifel (* 06-01-1710 Linthal, † 1773 Brussel), gehuwd met Anna Katharina Cränz in 1748, emigreert naar Holland. Zijn zoon Johann Heinrich Zweifel (* 28-03-1759 Linthal) trouwt in 1780 in Leiden. Hij wordt dan aangeduid als Johan Hendrik Swiebel uit Linthal, Switserland. Als getuige neemt hij zijn neef Johan Jacob Swiebel mee die in Den Haag woont. Kortom, bijna 100 jaar na Frederik Bernhard wordt Zweifel in Holland nog steeds verbasterd tot Swiebel.

Frederiks Haagse Periode
De eerste keer dat hij als Fredrik Swibel is ingeschreven bij de doop van zijn dochter Maria:

Hieronder de inschrijving van zijn tweede huwelijk met Sybille Kruder

Dat het daarbij om onze Frederik Swiebel gaat blijkt uit de doopinschrijving van Frederik, geboren in 1721, waarbij hij als Swivel te boek staat:

En zijn begraving:

Bij zijn overlijden in 1753 staat aangegeven, dat hij toen 84 jaar oud was, waardoor hij in 1668/1669 moet zijn geboren.
Frederik staat, mede door die fonetische schrijfwijze, bekend als Swiebel, Swievel, Swibel, Swijbel, Schweiffel, Schrijver en Zwiffele.
Op de prent hiernaast zie boven de plattegrond van Den Haag rond het binnenhof met links boven de Hoogduitse Kerk. Daaronder een prent van de kerk zelf. Daar weer onder een tekening van een doorsnee woonhuis van een ambachtsman uit de 17e eeuw. Bij veel van die huizen werd in de loop van 18e eeuw de onderhoud-gevoelige trapgevel vervangen door een simpeler punt- of lijstgevel. Naar alle waarschijnlijkheid woonde Frederik in zulk een woning.
Van Frederik weten we niet veel meer dan dat hij Scheepstimmerman was in Den Haag en zijn kinderen laat dopen in de Hoogduitse Kerk aan het Noordeinde, waar hij zelf ook woonde. Het Noordeinde was in de 16e eeuw een drukke straat waar ambachtslieden woonden die voor het hof werkten. In 1533 verrees er vlakbij de Hoogduitse Kerk een groot huis, gebouwd door grafelijk ambtenaar Willem Goudt. Ruim een eeuw later werd dit pand grootscheeps verbouwd door stadhouder Frederik Hendrik, naar ontwerp van de belangrijkste architecten van die tijd, Jacob van Campen en Pieter Post. Het is tegenwoordig bekend als Paleis Noordeinde. De Hoogduitse Kerk bleef dienst doen tot 1840, toen het gebruik daarvan door Koning Willem I werd verboden. Hieronder een detail van de kaart van Johan Blaeu uit 1649; daarop zie je rechts onderaan het Binnenhof, vandaar naar boven de Gevangenpoort, uitkomend op De Plaats, vervolgens linksaf tot de kruising. Je staat dan voor het Noord Eindt, de straat van Delft naar Scheveningen. Ga je rechtsaf passeer je de Hoogduitse Kerk en beland je bij de woningen van de ambachtslieden met hun achtertuinen.

Glarus

De eerste kerk werd in de 6e eeuw in Glarus gebouwd. Fridolin van Säckingen, een van de missionarissen uit die tijd, is nu de beschermheilige van het kanton. Omstreeks 700 komen de Germanen, maar pas in de 11e eeuw wordt hun taal algemeen overgenomen. Al voor 1530 is de meerderheid van Glarus gereformeerd. Zwingli, één van de leiders van de Zwitserse Reformatie heeft 10 jaar in Glarus als pater gewerkt en zijn reformatieschrift in 1523 aan Glarus opgedragen.
Fridolin
Geboren aan het eind van de 5e eeuw in Ierland als telg uit een adelijk geslacht, overleden in 538 in Bad Säckingen nabij Basel. Hij kreeg de gelegenheid in het gehele Frankische rijk kloosters te vestigen. Het schijnt dat hij degene is geweest die te Poitiers de tot dan toe onbekend gebleven sarcofaag van de beroemde bisschop Sint Hilarius († 368; feest 13 januari) heeft geïdentificeerd. Kreeg in een visioen van hem de opdracht om samen met zijn volgelinge Sint Oranna († 6e eeuw; feest 15 september) naar het Rijnland te gaan. Werd monnik in Luxeuil en stichtte later een klooster op het Rijneiland Säckingen, ten oosten van Basel, waarvan hij abt werd.
Er doen over hem veel wonderverhalen de ronde. Zo wekte hij een gestorven boer, Ursus, tot leven die ooit land geschonken had aan het klooster. Na zijn dood ontkende diens broer de schenking en eiste het land terug. Fridolin begaf zich naar de begraafplaats, wekte Ursus ten leven en troonde hem mee voor de rechter, waar de dode plechtig zijn schenking kon bevestigen.
Hij is patroon van Säckingen en van het Zwitserse kanton Glarus. Zijn voorspraak wordt ingeroepen voor groeizaam weer, tegen wateroverlast en brandgevaar, tegen kinder- en veeziekten, en tegen pijn in armen en benen.