APV en het ongeldige Parkeerverbod

5
(4)
Nationale regelgeving: de bepaling in het RVV en het bord E08n in het bijzonder.

In het RVVis in artikel 24, lid 1 onder d bepaald dat een bestuurder zijn voertuig niet mag parkeren op een parkeergelegenheid voor zover zijn voertuig niet behoort tot de op het bord of op het onderbord aangegeven voertuigcategorie of groep voertuigen. Het gaat hier dan om deze borden:

Maar wat is nu volgens de wet een kampeerwagen, kampeerauto, mobilhome, camper of welke benaming je ook aan ons voertuig wilt geven?
In het RVV kom je de volgende definities tegen:
“Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • autobus: motorvoertuig, ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen;
  • bedrijfsauto: bedrijfsauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;
  • bestelauto: motorvoertuig, bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg;
  • motorvoertuigen: alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen;
  • personenauto: personenauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;
  • voertuigen: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens;

Campers, onder welke benaming dan ook, worden niet genoemd. Wel wordt, via de verwijzing naar de Regeling Voertuigen, duidelijk wat onder personenauto’s in de zin van het RVV moet worden verstaan:
Regeling Voertuigen, Artikel 1.1:
In deze regeling wordt verstaan onder:
personenauto: voertuig op vier of meer wielen, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid of gehandicaptenvoertuig, ingericht voor het vervoer van personen, met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend; in ieder geval wordt als personenauto aangemerkt een voertuig van de voertuigcategorie M met de voertuigclassificatie M1 en een voertuig dat blijkens het kentekenregister een personenauto is;

Aha, ziedaar: onze camper is een voertuig op vier of meer wielen, ingericht voor het vervoer van personen met niet meer dan 8 zitplaatsen, de bestuurderzitplaats niet meegerekend. Het is daarenboven een voertuig van de categroie M en staat er op het kenteken “personenauto” 1).De camper is dus in de zin van het RVV een personenauto! En die zeer duidelijke definitie die in de regeling zelf is geïncorporeerd kan niet opzij worden gezet door een definitie van een kampeerauto in een geheel andere regeling van lagere orde, zijnde de Regeling Voertuigen, een Ministeriële regeling.

De kampeerwagen mag dus gaan staan bij bord E08 en E08n. De personenauto natuurlijk ook bij E08 en wellicht bij E08n (omdat dat bord in deze zienswijze parkeren alleen toestaat voor niet nader gedefinieerde voertuigen). Ik snap ook wel dat dat allemaal niet de bedoeling is van de wetgever, maar dan moet je wat zorgvuldiger zijn in jouw wetgeving. En de term “groep voertuigen” zal kennelijk slaan op bord E08h (treintaxi), E08j (brandweer), E08k (ambulance) en E08l (politie).

Nu willen sommige juristen onder die kennelijke omissie uit komen door te wijzen op het feit dat het begrip kampeerwagens wel voorkomt in de Regeling Voertuigen. Daar is het als volgt omschreven: Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder kampeerwagen: voertuig dat voorzien is van een woongedeelte met ten minste de volgende uitrusting die vast in het woongedeelte bevestigd is:
a. tafel, die eventueel eenvoudig te verwijderen is;
b. stoelen;
c. slaapgelegenheid, eventueel door de stoelen om te vormen;
d. kookvoorzieningen, en
e. opbergmogelijkheden
in ieder geval wordt als kampeerwagen aangemerkt een voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M met subcategorie SA en een voertuig dat blijkens het kentekenregister een kampeerwagen is;
Maar ja, zoals de Regeling Voertuigen zelf al zegt (vetgedrukt): in deze regeling , dus voor de Regeling Voertuigen, wordt verstaan onder kampeerwagen…. en dus kan dat voor een andere “Regeling” heel wat anders zijn. En laat nu het RVV een andere regeling zijn!
Nu is de Regeling Voertuigen een regeling ter uitvoering van de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 en de Europese richtlijn. Deze kent de volgende categorieën:


Kortom, die helpt ook niet om de omissie in de wetgeving op te heffen. Bovendien: de Regeling Voertuigen is een Ministeriële regeling en daardmee van een lagere orde dan het Reglement Verkeerregels en Verkeerstekens(RVV) dat een Koninklijk Besluit is en helemaal dan de Wegenverkeerswet (wet in formele zin). En een lagere regeling kan nimmer een hogere opzij zetten.

Interressant is daarom de uitspraak in deze van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 september 2015 2) (ECLI:NL:GHARL:2015:7231 – Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-09-2015 / WAHV 200.144.837)
waarin het Hof overweegt:
“In het RVV 1990 is geen definitie gegeven van een camper of kampeerwagen zodat op grond daarvan niet kan worden vastgesteld wanneer een voertuig tot die categorie of groep voertuigen behoort. In de Regeling voertuigen is wel een definitie van kampeerwagen gegeven. Op grond van de Regeling voertuigen wordt een voertuig als kampeerwagen aangemerkt indien dat voertuig: “voorzien is van een woongedeelte met ten minste de volgende uitrusting die vast in het woongedeelte bevestigd is:
1°. tafel, die eventueel eenvoudig te verwijderen is;
2°. stoelen;
3°. slaapgelegenheid, eventueel door de stoelen om te vormen;
4°. kookvoorzieningen, en
5°. opbergmogelijkheden;
in ieder geval wordt als kampeerwagen aangemerkt een voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M met subcategorie SA en een voertuig dat geregistreerd is als kampeerwagen”.
De Regeling voertuigen strekt ter uitvoering van hoofdstuk III en VI van de WVW 1994 . Daarbij gaat het om de toelating en goedkeuring van voertuigen en om de rijvaardigheid en de rijbevoegdheid. Het RVV 1990 daarentegen is gebaseerd op de artikelen 2 en 12, eerste en derde lid, van de WVW 1994 en geeft regels ten aanzien van verkeersregels en verkeerstekens.
Gelet op het verschil in strekking tussen beide regelingen is het hof van oordeel dat de definitie van kampeerwagen in de Regeling voertuigen en de registratie van een voertuig op basis van deze regeling door de RDW, niet bepalend kan zijn voor de uitleg van het gestelde bij of krachtens het RVV 1990 bepaalde. Dit brengt mee dat de sanctie niet in stand kan blijven.”

Er is nog één andere zaak in de jurisprudentie bekend, maar daar ging het over iemand die had geparkeerd bij bord E08 met een onderbord “opladen elektrische personenauto’s”, terwijl hij geen elektrische auto had. Terecht is de boete in stand gebleven, want de automobilist ging “nat” op het feit dat hij zijn voertuig niet mag parkeren op een parkeergelegenheid op een andere wijze of met een ander doel dan op het bord of op het onderbord is aangegeven. (zie Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 26 februari 2016 in https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHARL:2016:1519)
En voor de hardliners: zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 30 december 2015 inzake de bestuurder van een personenauto die zijn auto had geparkeerd op een parkeerplaats voor vrachtwagens en bussen buiten de toegestane uren.
Zie https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHARL:2015:10020
Ik heb niet nog meer uitspraken kunnen vinden die op deze materie betrekking hebben.

Geldt dit ook voor België?

Ik heb onlangs een hele discussie gehad met een Belgische vakgenoot die uiteindelijk erkende dat ook in België een juiste definiëring ontbrak. In België is de overtreding van het Nederlandse equivalent, bord E09, strafbaar gesteld in het Verkeersreglement (Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg), maar ook daarin vinden we geen definitie van een kampeerwagen. Het Verkeersreglement bevat wel degelijk definities. In Artikel 2 “Voor de toepassing van de bepalingen van dit reglement wordt verstaan onder:” en dan volgen de definities van voertuig (2.14), Motorvoertuig (2.16),Motorfiets (2.18), Auto (2.21), Autobus (2.65), Autocar (2.66) en Landbouwvoertuig (2.67). In het geheel niet van kampeerwagen of iets dergelijks, overigens ook niet van personenauto (hoe onzorgvuldig kun je zijn, maar dat terzijde). En dan is bijgevolg de kampeerwagen gewoon een auto want aan die definitie voldoet hij: Een auto is, volgens die definitie in het Verkeersreglement, elk motorvoertuig, met inbegrip van de trolleybus, dat niet beantwoordt aan de bepalingen van de bromfiets, van de motorfiets, van de drie- en van de vierwieler met motor. Tot slot bepaalt het gewraakte artikel 70.2.1 onder 3 dat het bord E9b inhoudt “Parkeren uitsluitend voor motorfietsen, personenauto’s, auto’s voor dubbelgebruik en minibussen.” (allemaal NIET gedefinieerd in de regeling zelve of de naasthogere regeling!)
Met andere woorden: Ja, ook in België mist het parkeerverbod voor kampeerwagens bij bord E9b verbindende kracht!

Overigens is mijn Belgische ambtsgenoot van mening dat de Belgische rechtsleer en -praktijk zal uitwijzen dat de rechter aldaar toch aansluiting gaan zoeken bij de taalkundige betekenis volgens het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal. Hier blijft, wat mij betreft, een verschil van mening en dus ….. voer voor juristen!
Voor België heb ik echter nog geen uitspraak in deze materie kunnen vinden; of Belgen stappen niet graag naar de rechter of de drempel is (financieel) te hoog.

En waarom hamer ik daar zo op?

Alleen in Nederland en België wordt ten aanzien van het parkeren een uitzondering gemaakt voor campers, in de rest van Europa niet. Niet voor niets komen campers niet voor als aparte categorie in de Europese kaderrichtlijn. In de rest van Europa is een camper met een laadvermogen onder de 3500 kg een personenauto en gelden voor de camper ook de regels voor personenauto’s. Je krijgt het een Fransman, Spanjaard, Italiaan of Duitser niet uitgelegd dat de camper geen personenauto is en dat hij dus moet verkassen!

Gemeentelijke regelgeving: De Algemene Plaatselijke Verordening (APV)

De gemeentelijke wetgever (de gemeenteraad) mag alleen regels vaststellen als een hogere regelgeving (provinciale verordening, Algemene Maatregel van Bestuur, formele wet e.d.) niet uitputtend is bedoeld; met andere woorden indien die hogere regelgeving aanvulling door de gemeente toestaat.

Het parkeren van voertuigen is geregeld in het Reglement Verkeersregels en verkeertstekens (RVV, vastgesteld in 1990 en nadien herhaaldelijk gewijzigd). In de artikelen 24 tot en met 26 van deze Algemene Maatregel van Bestuur (nationaal gezien de op twee na hoogste regelgeving die we kennen) wordt het parkeren geregeld. En deze regeling is uitputtend bedoeld en kan dus niet worden aangevuld. Daarom ook is hiernaast opgenomen bord ongeldig: het bord wordt in het RVV niet gedefinieerd! Het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden heeft het gemeentelijk parkeervergunningenstelsel van de gemeente Nijmegen bij zijn uitspraak van 20 maart 2018 ongeldig verklaart. Hierin besliste het Hof “Ingevolge artikel 121 van de Gemeentewet blijft de bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten, algemene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen is voorzien, gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale verordeningen niet in strijd zijn. Het hof overweegt dat het parkeerverbod zoals neergelegd in artikel 9, derde lid, aanhef en onder a, van de Parkeerverordening 2007 dezelfde strekking heeft als het parkeerverbod in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g, van het RVV 1990. Beide bepalingen dienen het belang van het reguleren van parkeervoorzieningen. Voor gemeentelijke verbodsbepalingen die dezelfde materie regelen als het RVV 1990 bestaat geen ruimte. Gelet hierop is het hof van oordeel dat aan artikel 9, derde lid, aanhef en onder a, van de Parkeerverordening 2007 Nijmegen verbindende kracht moet worden ontzegd, wegens strijd met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g, van het RVV 1990. Dit brengt mee dat de inleidende beschikking, waarbij de sanctie is opgelegd, niet in stand kan blijven.

De gemeentelijke APV probeert het wel te omzeilen door hun bepalingen alleen van toepassing te laten zijn op “een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt”, maar dat helpt niet. Het gaat nog steeds om een voertuig en voor een voertuig op de weg geldt gewoon het RVV, wat de gemeente daar ook van vindt. Strikt genomen zouden ze wel een regeling kunnen maken voor het stallen van de camper op jouw eigen terrein (dus niet op de weg), maar dan raken ze al heel snel buiten hun bevoegdheid omdat jij ook sterke rechten hebt op het gebruik van jouw eigendommen. Op deze wijze is wel doeltreffend opgetreden tegen reclamevoertuigen in weilanden, maar dat terzijde.

Kortom: de regeling in de APV van de gemeenten omtrent het verbod om campers op de openbare weg te parkeren is onverbindend.

Wat kun je er tegen doen?

Tegen een gemeentelijke verordening kun je geen beroep in stellen, dat is in de wet bepaald. Wel kun je tegen de bekeuring die je krijgt iets doen. Die bekeuring is een verkeersovertreding (!) in de vorm van een Mulder-beschikking (technisch juridisch geprietpraat, maar ja kan ik ook niets aan doen). Tegen die beschikking kun je bezwaar aantekenen bij het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (Parket CVOM) in Utrecht. Ik kan je nu al meegeven dat ze jou geen gelijk zullen geven. Vervolgens kun je in beroep bij de Rechtbank (Sectie Kantongerecht). Dat kun je zelf, je hebt geen advocaat of zoiets nodig. Mocht je het met zijn uitsprraak niet eens zijn dan kun je nog hoger beroep instellen bij het Hof Leeuwarden. Maar dit vertellen ze je ook allemaal zelf.

Voor de geïnteresseerden: de juridische status van de APV-bepalingen

De wettelijke bepalingen

In de Model Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de VNG, die door bijna alle gemeenten in Nederland zijn overgenomen, staan met betrekking tot het parkeren van campers de volgende bepalingen:

Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a.

  1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:
    a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;
    b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a.
  3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening.
  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
  2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
  3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.
  4. Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.
  5. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.
  6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen

  1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
  2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Alleen geldig “op de weg”

Al deze bepalingen hebben betrekking op “het plaatsen van een camper op de weg”. Onder weg moet worden verstaan: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten;

Je mag jouw camper dus wel op jouw eigen terrein neerzetten, of zo je wilt, jouw eigen oprit. Daar gelden deze bepalingen niet.

Er is één uitzondering: artikel 5.8, eerste lid heeft het over een door het college aangewezen plaats; dit kan jouw oprit zijn! Het moet dan wel gaan om een een plaats die bepalend is voor het “aanzien van de gemeente”. Dit kan zijn een karakteristiek dorpsplein of een andere plaats binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht. Het mag, gelet op de bijzondere bepaling van artikel 5.9 (uitzichtbelemmering) niet gaan om het op hinderlijke wijze belemmeren van het uitzicht. Als het college zou besluiten om plaatsen in een normale woonwijk aan te wijzen dan is er een gerede kans dat zulk een besluit bij de rechter geen stand houdt, mede gelet op het feit dat de uitzonderingen, genoemd in het derde en vierde lid, daarop niet van toepassing zijn!

Hoe verhouden deze bepalingen zich onderling?

Er staan nu dus drie bepalingen in de Model APV die betrekking (kunnen) hebben op campers. Gelden ze alle drie, en zo ja, welke dan op welk moment?

Om te beginnen moet ik opmerken dat artikel 5.8 in het vierde lid bepaalt dat dit verbod niet geldt voor (kortweg) campers, voor zover deze niet langer dan 3 dagen op de plaats blijft staan.

Duidelijk is in ieder geval dat de regels onderling met elkaar in conflict (kunnen) zijn. Wat volgens de één mag (art. 5.6: camper parkeren voor ten hoggste 3 dagen), mag volgens de andere (5.9) weer niet (langer dan 6 meter op hinderlijke wijze in woonbuurten parkeren).
Het komt meer voor dat regels met elkaar in conflict zijn en dat kan ook niet anders met de bijna 1 miljoen regels die wij in Nederland hebben. Om dan niet elke keer de regelgeving aan te moeten passen heeft de juridische praktijk dit opgelost met de conflictregel “lex spcialis derogat legi generali” (helaas worden ze alle conflictregels in het latijn aangeduid): bijzondere wet gaat voor algemene wet.. Maar let wel op: deze regel is een vuistregel! In voorkomende gevallen kan (en zal) daar van afgeweken worden.

Deze regel betekent dat speciale bepalingen voor gaan boven algemene bepalingen. Soms blijkt de voorrang van de lex specialis uitdrukkelijk uit de wettekst zelf. Voor ons is belangrijk dat voor strafbepalingen het gestelde in het artikel 55, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht een uitdrukkelijke bepaling dienaangaande is opgenomen, luidende: “Indien voor een feit dat in een algemene strafbepaling valt een bijzondere strafbepaling bestaat, komt deze alleen in aanmerking.” Reeds in 1921 besliste de Hoge Raad dat het geval van artikel 55, lid 2, Sr zich alleen voordoet, wanneer alle kenmerken van een strafbepaling (de algemene) worden teruggevonden in een andere (de bijzondere). De bijzondere strafbepaling bevat bovendien een of meer andere kenmerken. Ik citeer uit het arrest van 19 juli 1921, NJ 1921, 1109 waarin de Hoge Raad hieromtrent overweegt: “dat, zal het geval van art. 55, 2de lid Sr. aanwezig zijn in hetgeen bewezen is verklaard, vóór alles al de kenmerken van eene strafbepaling (de algemeene) moeten worden teruggevonden in eene andere (de bijzondere), welke laatste dan daarenboven nog een of meer andere kenmerken moet bevatten”.

Welnu, omdat in de ene bepaling slechts sprake is van een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: (artikel 5.6) en in de andere bepaling een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter (art. 5.8 en 5.9) is het niet zo alle kenmerken van de algemene bepaling (5.9) in de bijzondere (5.6) worden teruggevonden. Artikel 5.6 is dan ook geen lex specialis van 5.9

Om het nog ingewikkelder te maken: in de jurisprudentie bestaat hierover geen eenduidigheid: zie ECLI:NL:RBBRE:2010:BO7417 Rechtbank Breda, 18-11-2010, 627085 mb 10-189 waarin artikel 5.6 niet als een lex specialis werd aangemerkt en Rechtbank Midden-Nederland, Utrecht, zaaknummer 2045833 UM 13-1018 d.d. 18 juli 2013 waarbij de kantonrechter dat juist wel weer deed en doorslaggevend achtte “dat (..) terecht is aangevoerd dat, indien sprake is van een camper, het bepaalde in de APV onder 5.8 niet van toepassing is. Op een dergelijk voertuig is immers het bepaalde in artikel 5.6 van toepassing.”

Berperking in artikel 5.6 (parkeerverbod voor langer dan 3 dagen)

Er zit echter een grote beperking in artikel 5.6 zelf. Dit artikel geldt alleen voor “een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt”. Hier is dus niet het doel, waarvoor het voertuig is gemaakt van belang, maar het daadwerkelijke gebruik. Met andere woorden: als je de camper gebruikt voor verkeersdoeleinden (als auto!) dan geldt artikel 5.6 niet!

De Raad van State – als hoogste bestuursrechter – heeft over hierover uitgesproken dat “het verbod (..) van toepassing is op voertuigen die hoofdzakelijk voor andere doeleinden dan verkeersdoeleinden worden gebruikt. In die bepaling wordt, anders dan waarvan het dagelijks bestuur in het besluit van 26 november 2013 is uitgegaan, niet gesproken over voertuigen die hoofdzakelijk zijn bedoeld of bestemd voor andere doeleinden dan verkeersdoeleinden. Het verbod ziet aldus op voertuigen die hoofdzakelijk voor andere doeleinden worden gebruikt dan verkeersdoeleinden. Derhalve dient gekeken te worden naar het feitelijk gebruik in het concrete geval van het desbetreffende voertuig. Is dat gebruik hoofdzakelijk voor andere dan voor verkeersdoeleinden, dan is het verbod (..) op dat voertuig van toepassing.”

M.a.w. gebruik jij jouw camper gewoon (ook) als auto, dan is het verbod van artikel 5.6 APV al sowieso niet van toepassing. Artikel 5.6 APV had eigenlijk moeten luiden “Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden is bedoeld of bestemd: ” om het verbod geheel sluitend te krijgen. Van deze omissie zou in voorkomende gevallen gebruik gemaakt kunnen worden (“ik gebruik mijn camper voor het dagelijks vervoer van en naar mijn werk, of om boodschappen te doen, etc. etc.”). Stap dus eens wat vaker in jouw camper zonder dat je er mee gaat recreëeren zou mijn advies zijn! Dit wordt nog bevestigd door de uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2009:BI1079, 15 april 2009, Beverwijk): Met de rechtbank wordt echter geoordeeld dat burgemeester en wethouders niet aannemelijk hebben gemaakt dat het voertuig langer dan drie dagen zonder wezenlijke tijdsonderbreking werd geparkeerd. Zoals de rechtbank heeft overwogen, is tijdens door het college uitgevoerde controles meestal gebleken dat het voertuig niet aanwezig was en bieden de stukken ook overigens geen grond voor de vaststelling dat deze zonder wezenlijke tijdsonderbreking langer dan drie dagen in de wijk waar [appellant] woonachtig is, was geplaatst. Het dagelijks ‘s avonds parkeren van het voertuig nadat deze overdag in gebruik is geweest, rechtvaardigt een zodanige vaststelling niet.

Let wel: de onverbindendheid van het verbod tot parkeren betekent nog niet dat je er in mag slapen.

In de APV komen ook bepalingen voor omtrent het recretaief nachtverblijf genieten in een kampeermiddel. Deze bepalingen zijn ontstaan toen de wetgever de openluchtrecreatie uitdrukkelijk vrij heeft gelaten. Per 1 januari 2008 heeft hij namelijk de Wet op de Openluchtrecreatie ingetrokken omdat de materie voldoende geregeld kan worden in de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Daarin kun je bepalen waar campings en andere recreatieve voorzieningen kunnen worden gerealiseerd. Het is dan vreemd dat, nu de wetgever dit niet heeft willen regelen, sterker nog het geregel op dit punt kwijt wilde, de lagere overheid in die “lacune” springt en er weer zijn eigen regeling om heen bouwt. Het is nu wachten op een uitspraak van de rechter die op basis van een soortgelijke redenering als het Hof Arnhem Leeuwarden ook dit verbod ongeldig verklaart. Dan pas gaan we in Nederland dezelfde situatie gaan creëren die ook in Frankrijk geldt: als je met een camper mag parkeren, mag je er ook in overnachten!

laatstelijk gewijzigd: 8 november 2018

1) Heel soms staat er in Nederland “bedrijfsauto” op het kenteken van de camper. Het betreft dan in 9 van de 10 gevallen een ingevoerde camper waarbij een CVO (zeg maar het geboortebewijs van de camper) bijzit, aangeleverd door de fabrikant, waarop staat dat het (oorspronkelijk) een bedrijfsauto was.

2) Het ging hier om een bedrijfswagen (een bedrijfsbusje met een volledig gesloten opbouw) die op een “camper” parkeerplaats aangegeven met het bord E08n ging staan. De bestuurder is van mening dat zijn bedrijfswagen tot de op het bord aangeduide voertuigcategorie of groep voertuigen behoort (!!; vrij vertaald: mijn bedrijfsbusje voor het vervoer van cement en stenen zou net zo goed ook een camper kunnen zijn) De verbalisant ging niet over één nacht ijs. Hij heeft navraag gedaan en kreeg bij de RDW als info niet als camper ingericht. Hij heeft het voertuig ongeveer vijf minuten zien staan op een parkeergelegenheid voor campers, terwijl het voertuig niet behoorde tot de aangegeven categorie. Het Bord E8 was duidelijk zichtbaar, pijl onderbord wees richting het voertuig en hij had geen laad- en/of losactiviteiten waargenomen. Het hof stelt vast dat de verbalisant, voor het antwoord op de vraag of het voertuig van de betrokkene behoort tot de op het onderbord aangegeven categorie of groep van campers (kampeerwagens), de registratie van het voertuig bij de RDW bepalend acht. Het hof is evenwel van oordeel dat de definitie van kampeerwagen in de Regeling voertuigen en de registratie van een voertuig op basis van deze regeling door de RDW, niet bepalend kan zijn voor de uitleg van het gestelde bij of krachtens het RVV 1990 bepaalde. (toevoeging RZ: Nu een dergelijke definitie ontbreekt in het RVV en ook op de Wegenverkeerswet waar het RVV op is gebaseerd, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de genoemde borden onverbindend zijn)

Hoe nuttig was deze informatie?

Het spijt ons dat de infformatie niet niuttig was.