Rudolf II van Coevorden

Rudolf II van Coevorden (Coevorden, 1192[2] - Hardenberg, 25 juli 1230) was burggraaf van Coevorden en schout van Drenthe. Hij was getrouwd met Sophia en kreeg met haar drie kinderen: Bertolt van Ansen, Heino Henrikus en Cyse van Ansen.

De Slag bij Ane

Vanaf het midden van de 11e eeuw kregen de bisschoppen van Utrecht gebieden in Drenthe, Overijssel en de stad Groningen in leen van de Duitse keizer. Deze gebieden maakten sindsdien deel uit van het Sticht Utrecht. Als vertegenwoordiger van de bisschop werd onder meer in Groningen en Coevorden een prefect aangesteld. Oorspronkelijk was dat een ambtenaar, maar bisschop Hartbert van Bierum gaf halverwege de 12e eeuw beide functies in erfelijke leen aan zijn broers Leffard (Groningen) en Ludolf (Coevorden). Daarmee verkregen deze een eigen machtsbasis.
De zoon van Ludolf, Rudolf I van Coevorden, kwam daarbij snel in conflict met zijn formele heer, de bisschop. Rudolf probeerde zijn macht uit te breiden door zich te bemoeien met de opvolging van Leffard in Groningen. In eerste instantie dolf Rudolf het onderspit tegen de bisschop en verloor hij het kasteel in Coevorden. In 1191 wist hij zijn rechten te herwinnen. Zijn opvolger, Rudolf II van Coevorden, zette dezelfde politiek voort en verbond zich met de Gelkingen, de tegenstanders van Egbert, de prefect van Groningen. De macht van de bisschop van Utrecht was te gering om hier veel tegen te doen.
Toen in 1216 Otto van Lippe tot bisschop werd benoemd keerde het tij. Anders dan zijn voorgangers was Otto bereid zijn macht te laten gelden. Hij liet Rudolf II weten geen genoegen te nemen met diens aanspraken in Groningen. Toen Rudolf het besluit van de bisschop openlijk tegensprak, leek een oorlog onvermijdelijk.
Het conflict tussen Rudolf en de bisschop is op zich geen bijzonder conflict in die tijd, conflicten tussen leenheer en vazal zijn eerder regel dan uitzondering. Het bijzondere in het conflict is dat Rudolf gesteund wordt door een legertje van Drentse boeren. De reden van het verzet van de Drenten is niet duidelijk. Wellicht was het verzet tegen een poging van de bisschop om meer inkomsten uit de provincie te genereren maar zeker is dat niet.

Op 28 juli 1227, een hete zomerdag, ontmoeten de troepen van de bisschop van Utrecht, Otto van Lippe, een grote groep opstandige Drenten onder leiding van Rudolf II van Coevorden op een veld in de buurt van het huidige dorp Ane. De precieze locatie van de slag is niet bekend, sommigen menen bij Ane, andere bronnen menen dat de slag iets meer naar het noorden, bij het latere Huis ten Klooster plaatsvond. Volgens de oudste bron, de "Narracio", bevonden beide legers voordat de slag ontbrandde zich een halve mijl van elkaar. De legers werden gescheiden door een moeras zonder enige begroeiing. Dit zou wijzen op een beurtelings drijvende of soms droogliggende veenlaag, afhankelijk van de heersende waterstanden in de nabij gelegen Vecht. Deze veensoort kon ontstaan onder invloed van sterk wisselende waterstanden. Naar het zich laat aanzien is dit het gebied ten noordoosten van Ane, gelegen tussen twee zandhoogtes en die doorsneden wordt door een stuwdijk. Dit gebied voldoet als enige aan de omschrijving als omschreven in de "Narracio". In de latere middeleeuwen is hier een stuwdijk aangelegd om de sterk wisselende waterstanden te regelen. Deze dijk was ooit van drie overlaten voorzien.
De bisschop was naar deze zuidgrens van Drenthe gegaan om het opstandige Drenthe tot de orde te roepen. Hij had hiervoor een groot aantal krijgsheren opgeroepen, versterkt met een aantal krijgsscharen van de bisschoppen van Münster en Keulen. Dit leger werd door middel van boten over de nabije Vecht bevoorraad. Het vaandel met Sint-Martinus, de schutspatroon van Utrecht, werd gedragen door ridder Roelof van Goor.
De Drenten die wisten dat zij met hun grotendeels ongeoefende legertje een slag in open veld tegen zo'n zwaar uitgerust leger nooit zouden kunnen winnen, lokten welbewust een gewapend treffen uit in een moerassig gebied, later bekend als de Mommenriete. De paarden van het bisschoppelijke leger zakten in de zompige grond weg en de ridders met hun zware harnassen konden zich hier niet op eigen kracht uit redden.
Het leger van de Drenten bestond merendeels uit lichtbewapend Drents landvolk en bendes (onder leiding van Rudolf, met onder andere het leger dat net was teruggekeerd van het door hen bezette Groningen). Toen de zwaar geharnaste ridders op hun paarden begonnen weg te zinken in het stinkende moeras vielen de Drenten aan. Met pijlen, speren, messen en knotsen maakten ze korte metten met de vijand. Vrijwel het gehele bisschoppelijke leger, waaronder vele beroemde edelen zoals de kruisvaarder Berend van Horstmar, werd hierbij genadeloos afgemaakt.
Bisschop Otto had het ongeluk gevangengenomen te worden, waarna hij werd gescalpeerd en gekeeld. Voor de Drentse "onmensen" (zoals ze in de kerkelijke kroniek genoemd werden) was zijn getonsuurde hoofdhuid waarschijnlijk een luguber tastbaar bewijs dat de trotse kerkheer echt dood was. Later werd zijn zwaarverminkte lijk gevonden en naar de Utrechtse dom gebracht waar het met alle eer begraven werd. In de Narracio wordt vermeld dat aan de zijde van de Drenten ook vrouwen hebben meegevochten.

Aanvoerders:

Gerard III van Gelre, Graaf van Gelre, gewond, gevangengenomen en weer vrijgelaten
Gijsbrecht II van Amstel, Heer van Amstel en bisschoppelijke dedingsman in 1225, gevangengenomen
Otto van Lippe, Bisschop van Utrecht, sneuvelt
Diederik van Lippe, proost van Deventer en Oldenzaal, broer van bisschop Otto, sterft in gevangenschap
Berend van Horstmar, kruisridder
Rudolf, Graaf van Goor, banierdrager van het Sticht Utrecht
Diederik VI van Kleef, Graaf van Kleef
Baldewijn van Bentheim, Graaf van Bentheim
Engelbert van Groningen, Heer van Groningen, dedingsman van de Bisschop van Utrecht
Egbert van Groningen, Amptman van Groningen

Vervolg:

De opvolger van Otto II, Wilbrand van Oldenburg, heroverde Drenthe vervolgens op 14 oktober 1228. Op 30 augustus 1229 wist Rudolf Coevorden echter weer in te nemen. In 1230 werd Rudolf onder valse voorwendselen naar het kasteel van Hardenberg gelokt. Rudolf zag in dat hij op de lange duur geen stand zou houden tegen het grote bisschoppelijke leger en ging in op de uitnodiging. Rudolf begaf zich samen met zijn vriend Hendrik van Gravesdorp (uit Veldhuizen in Bentheim) naar Hardenberg. Zijn kans om hier een vrede stichten bleek een hinderlaag, hij werd gevangengenomen en daarna dagen geradbraakt en vermoord op 25 juli 1230. Zijn lichaam werd als waarschuwing op een spies tentoongesteld aan het volk.

De dynastie Van Coevorden

In 1288 kwam een kleinzoon van Rudolf weer aan de macht, en werd het kasteleinschap van de van Coevordens hersteld. Reinoud van Coevorden was een zoon van Eufemia, de dochter van Rudolf II, en van Hendrik van Borculo. Reinoud werd de stamvader van een reeks sterke heren van Coevorden, een dynastie die tot 1402 zou voortduren. Het machtsgebied breidde zich uit tot Borculo, Diepenheim, Lage (Duitsland) en Selwerd. Ze verwierven het muntrecht en beheersten de rechtspraak in Drenthe.

Pas tegen het einde van de 14e eeuw maakte bisschop Frederik van Utrecht een einde aan de strubbelingen door het opheffen van de erfelijkheid van het kasteleinschap van Coevorden. Frederik maakte daarbij handig gebruik van de onrust onder de bewoners van het gebied, Reinoud maakte zich niet populair met onrechtmatige belastingen en andere wandaden. In 1395 trok Frederik ten strijde tegen de heer van Drenthe, maar anders dan bij de slag bij Ane kon Reinoud niet rekenen op de steun van de boeren. Frederik werd door de notabelen van Coevorden erkend als landsheer, en zo kwam Reinoud alleen te staan in de strijd. Op 4 april 1402 deed hij afstand van al zijn rechten, en de Van Coevordens trokken zich terug op hun bezittingen in Twenthe en de graafschap Zutphen. Coevorden kreeg op 31 december 1407 stadsrechten.